Onze doelgroep zijn jonge kinderen met ontwikkelingsachterstand en/of gedragsproblemen. Zo zien we veelal kinderen met -vermoeden van- ADHD en/of ASS met bijkomende problemen. Ook zien we kinderen met selectief mutisme, syndroom van Down of kinderen met -vermoeden van- trauma. Daarnaast zien we vaak dat de ouder-kind interactie die zo van belang is, juist wat verstoord raakt of al is geraakt.
Autisme spectrum stoornis (ASS)
Wij zien regelmatig kinderen met autisme spectrum stoornis. Autisme spectrum stoornissen (ASS) behoren tot één van de meest voorkomende ontwikkelingsstoornissen bij kinderen. ASS wordt door de DSM-5 gekenmerkt door beperkingen in de sociale interactie en communicatie en stereotype, beperkte patronen van gedrag, belangstelling en activiteiten (APA, 2013). Kinderen verschillen onderling sterk in hun kenmerken, de mate van beperkingen en bijkomende gedrags- en psychiatrische problematiek zoals agressie, angst, slaapproblemen, ADHD, en zelfverwondend gedrag (Huskens & Didden, 2015). Ongeveer de helft van mensen met ASS heeft ook een verstandelijke beperking (Gezondheidsraad, 2009; Huskens & Diddens, 2015). Bij kinderen met ASS kan er op diverse gebieden sprake zijn van een ontwikkelingsachterstand, waaronder imitatie, het opvolgen van instructie, taalgebruik en begrip, spel en zelfredzaamheid (Peters-Scheffer, Verschuur, Huskens, & Didden, 2014). Het is van belang om de behandeling en begeleiding van kinderen met ASS zo vroeg mogelijk in te zetten om deze kinderen de mogelijkheid te bieden om zo goed mogelijk deel te nemen aan de maatschappij (gezondheidsraad 2009).
ADHD
Prikkelverwerking
Ouder-Kind interactie
In de praktijk zien we vaak dat er moeilijkheden zijn in interactie tussen ouder en kind. Uit de literatuur komt naar voren dat deze moeilijkheden resultaat zijn van een wisselwerking tussen ouder en kind. Zo kunnen vroege sociaal-emotionele tekortkomingen van een kind hun vermogen om deel te nemen aan sociale interacties met hun ouders beïnvloeden. Deze kinderen missen bijvoorbeeld het vermogen stabiele verwachtingen te vormen omdat het ze de reacties van ouders niet kunnen begrijpen (Rogers et al., 1991), zijn minder afhankelijk van benaderingen, maken minder oogcontact of reageren minder goed op de benadering van ouders (Doussard-Roosevelt, Joe, Bazhenova & Porges, 2003). Dit kan ertoe leiden dat ouders uiteindelijk ook minder responsief worden richting het kind (Meirsschaut, Warreyn & Roeyers, 2011), waardoor de sociaal-emotionele ontwikkeling weer minder gestimuleerd wordt. Tevens rapporteren ouders van kinderen met moeilijkheden in de ontwikkeling meer stress te ervaren en voelen zij lagere gevoelens van zelfredzaamheid en competentie als ouder (Davis & Carter, 2008; Meirsschaut, Warreyn & Roeyers, 2011). Daarnaast is het ook mogelijk dat ouders kampen met gevoelens van onverwerkt verlies (Janssen et al., 2002): wat zij hadden voorgesteld bij ouderschap komt niet overeen met de werkelijkheid. Deze factoren kunnen van invloed zijn op de kwaliteit van de ouder-kind interactie, met name op de sensitiviteit van de ouder naar het kind toe (Wijnroks, 2004). Deze moeilijkheden in de ouder-kind interactie kunnen implicaties hebben voor de ontwikkeling van het kind. Zo kunnen er moeilijkheden ontstaan in het emotionele, sociale en cognitieve functioneren (Scudder et al., 2019). Het is dan ook van belang om moeilijkheden in de ouder-kind interactie zo vroeg mogelijk te signaleren en ouders hierin te ondersteunen.
Trauma
Traumatische ervaringen zijn gebeurtenissen die worden ervaren als bedreigend en kunnen significante effecten hebben op het functioneren. Enerzijds zijn er sterke aanwijzingen dat kinderen met een ontwikkelingsachterstand een verhoogd risico hebben op het meemaken van traumatische gebeurtenissen en ook vatbaarder zijn voor de nadelige effecten die een traumatische gebeurtenis kan hebben. Moeilijkheden op het gebied van communicatie, emotieregulatie, sensorische informatieverwerking, het begrijpen van context en sociale situaties lijken hier risicofactoren voor (Kerns & Berkowits, 2015). Anderzijds kan stress tijdens een zwangerschap (Kinney, Munir, Crowley & Miller, 2008) of een trauma in de vroege kindertijd ook zorgen voor een achterstand in de ontwikkeling, waaronder cognitieve, taal-, motorische en sociale vaardigheden (Van der Kolk, 2005; Went 2014).
In alle gevallen speelt de mate van het kunnen reguleren van de emoties een belangrijke rol. Zowel bij kinderen met een ontwikkelingsachterstand als tijdens de vroege kindertijd beschikken de kinderen vaak nog niet over voldoende vaardigheden om met de effecten van overmatige stress om te gaan. Er kan een vicieuze cirkel ontstaan: moeilijkheden in de emotieregulatie verhogen het risico op het ontwikkelen van traumatische stress, welke op hun beurt weer de moeilijkheden in de emotieregulatie kunnen verergeren (Turner, Finkelhor & Ormrod, 2010). Op het moment dat kinderen onvoldoende hun eigen emoties kunnen reguleren zijn ze afhankelijk van de beschikbaarheid en co-regulatievaardigheden van anderen (Went, 2014; White et al., 2014). Daarnaast beschikken veel kinderen met een algemene ontwikkelingsachterstand over onvoldoende verbale communicatieve vaardigheden. Het is dan lastig om, net als in de vroege kindertijd, emoties, behoeften en ervaringen met andere te delen (Levy et al., 2010). Ongenoegen wordt dan op andere manieren geuit, waarbij emotieregulatie ook weer een belangrijke rol speelt.
Bij de behandeling van kinderen met een ontwikkelingsachterstand is het belangrijk om uit te sluiten of er een traumatische ervaring ten grondslag ligt aan deze achterstand. In geval van trauma is het belangrijk om deze te behandelen. Tevens is het ook van belang om de emotieregulatie vaardigheden van kinderen met een ontwikkelingsachterstand te versterken, om zo beter te kunnen omgaan met stressvolle situaties. Wanneer het kinderen onvoldoende lukt om zichzelf te kunnen reguleren moet er ook gekeken worden naar de mate waarin het ouders lukt hun kinderen hierin te ondersteunen. Mochten ouders hier moeilijkheden in ervaren dan moet er gekeken worden hoe zij hierin ondersteund kunnen worden.
ABA en ASS
Applied Behavior Analysis (ABA) is een vorm van intensieve gedragstherapie. Hierbij worden de leerprincipes uit de experimentele gedragsanalyse toegepast in de praktijk. ABA-principes worden al meer dan vijftig jaar gebruikt om interventies voor kinderen met autisme spectrum stoornissen (ASS) te ontwikkelen. Bij kinderen met ASS is het lastig om de ontwikkeling in zijn geheel te stimuleren, omdat ze vaak op meerdere gebieden vastlopen. Door interventies aan te bieden die zich richten op verschillende vaardigheden, kunnen al deze vaardigheden worden getraind (Peters-Scheffer, Verschuur, Huskens, & Didden, 2014). Er bestaan meerdere begeleidingsvormen, die onderdeel kunnen zijn van een ABA programma die zich richten op deze vaardigheden, waaronder Discrete Trial Training (DTT) en Pivotal Response Treatment (PRT) (Huskens & Didden, 2015; Koegel & Koegel, 2012).
Bij DTT worden vaardigheden in kleine stapjes opgedeeld en gestructureerd. Technieken die worden toegepast binnen deze interventie zijn onder andere belonen en prompten (Odom et al., 2003). Prompten is het aanbieden van een stimulus (bijvoorbeeld iets voorzeggen of het geven van een instructie), die ervoor zorgt dat het kind het gewenste gedrag vertoont. Het uiteindelijke doel is dat het kind dit gedrag gaat laten zien, zonder dat het voorafgegaan wordt door de prompt (Ingvarsson & Hollobaugh, 2011). PRT is een benadering die zich in eerste instantie richt op de motivatie tot interactie. Over het algemeen nemen kinderen van nature van jongs af aan veel initiatieven om contact met anderen te maken, waardoor ze spelenderwijs allerlei soorten vaardigheden aanleren. Kinderen met autisme of ontwikkelingsproblematiek nemen dat initiatief in mindere mate of helemaal niet, waardoor ze belangrijke leermomenten missen. PRT richt zich op deze beperkte motivatie om zich tot anderen te richten. Door hierop te focussen, komen andere vaardigheden vanzelf ook tot ontwikkeling. Het gaat om de volgende vier kernvaardigheden: motivatie (tot interactie), sociaal initiatief nemen, het kunnen reageren op meerdere kenmerken en zelfmanagement (Huskens & Diddens, 2015; Koegel & Koegel, 2012).
Informatieve links: